Gebiedsontwikkeling in het buitengebied

Gebiedsontwikkeling in het buitengebied

Het buitengebied is er voor ons allemaal. In de afgelopen 50 jaar is de functie van het buitengebied wezenlijk veranderd. Ook is een verschuiving waarneembaar op het gebied van gebruikers en beheerders van het buitengebied. Waar voorheen de agrarische sector min of meer alleen gebruiker en beheerder van het buitengebied was, zien we in de loop der jaren de vraag naar ruimtegebruik ook vanuit andere sectoren toenemen. Door de beperkte omvang van ons land, en het buitengebied in het bijzonder, is het begrijpelijk dat dit om bijzondere aandacht vraagt. De tijdsgeest beïnvloedt in grote mate onze beleving van zaken. Beleid blijkt regelmatig ‘onderhoud’ nodig te hebben.

Actuele visie, gepubliceerd in ons magazine 'VROM in Telengy' november 2009.

Start:
oktober 2009

Koeien of windmolens in de wei

Het landschap, met koeien in de wei en molens op de achtergrond, polders met prachtige vergezichten, bossen en hei, is continu aan verandering onderhevig. Waar onze maatschappij verandert, heeft dat blijkbaar invloed op onze kijk op de leefomgeving. Onze tijd wordt optimaal ingedeeld en ingevuld, plannen is geen optie maar een must. Ik zie daarin een parallel met de toedeling van de schaarse ruimte die we voor diverse activiteiten nodig hebben. Ook hierin moet steeds scherper worden gewikt en gewogen. Een hele klus, zo blijkt steeds weer bij plannen die ontwikkeld worden. We streven ernaar zaken optimaal op elkaar afgestemd te houden. Over de procedures die daarmee gemoeid zijn, gaat dit artikel niet. Waar dit artikel wel over gaat, is de menselijke maat die aan al deze ontwikkelingen en afwegingen verbonden is.


In 5 decennia kan veel gebeuren

De ontwikkelingen binnen de agrarische sector in Nederland in de afgelopen 50 jaar, laten vergaande veranderingen zien in de bedrijfsvoering. Daarbij wordt in dezelfde periode onze beleving van het buitengebied, inclusief de natuur en onze kijk op recreatie en vakantie, wezenlijk anders dan voorheen. De agrarische sector bestond 50 jaar geleden nog vooral uit gemengde bedrijven. Daarbij was de ondernemer zowel koeien-, varkens- als kippenhouder en daarbij vaak ook nog landbouwer. Later gingen deze bedrijven over naar specialisatie waarbij men zich ontwikkelde in één ‘tak van sport’.

De belangenorganisaties ontwikkelden zich op vergelijkbare wijze mee. Daarna zette een trend in die leidde tot schaalvergroting. Deze tendens zet nog steeds door. We zien bedrijven nog steeds groeien en ondernemers in de agrarisch sector met twee of drie bedrijven in Nederland, en mogelijk nog andere daarbuiten, zijn meer regel dan uitzondering. Deze ontwikkeling raakt de kern van mijn verhaal dus hier kom ik later in dit artikel nog op terug. Ondertussen zijn er meer tweeverdieners, krijgen we allemaal meer inkomen, en meer vrije tijd als gevolg van kortere werkweken. In die beschikbare vrije tijd willen we genieten van onze leefomgeving en de natuur, willen we zowel actief als passief sporten en recreëren.

Een deel van deze veranderingen heb ik van dichtbij kunnen volgen. Als kinderen speelden wij bij vriendjes op de boerderijen, waarvan er toen nog enkele midden in het dorp lagen. We waren vertrouwd met de aanwezigheid van vee en agrarische activiteiten in onze directe woon- en leefomgeving. Nu zijn er binnen de gemeentegrenzen nog maar enkele agrarische bedrijven aanwezig. Deze bedrijven liggen op een behoorlijke afstand van de dorpen. Vaak zijn deze bedrijven in vergaande mate geautomatiseerd en behoorlijk van omvang. Spelen op de boerderij is al lang geen gemeengoed meer.


De aanloop naar de toekomst

Eind jaren ‘90 en de beginjaren van de 21e eeuw zijn de jaren geweest waarin beleidsmatig een andere wind is gaan waaien. De aanleiding was mede gelegen in de verscheidene golven van dierziektes, waaronder de varkenspest. Daarbij werden op grote schaal stallen en hokken geruimd en zijn veel dieren gedood in pogingen de zaak onder controle te krijgen en ernstiger situaties te voorkomen. De druk op de beperkte ruimte in het buitengebied werd steeds groter. De vraag naar ruimte uit meerdere sectoren gaf aanleiding tot nieuw Rijks-, Provinciaal- en Gemeentelijk beleid, waarin scheiding van functies een belangrijk uitgangspunt was. Gebieden die primair ruimte bieden voor de agrarische sector, gebieden voor de natuur in de vorm van een Ecologische Hoofdstructuur en gebieden voor recreatie en toerisme.

De reconstructiewet van 2002 trad in werking. Ter uitvoering van deze wet werden reconstructieplannen opgesteld. Een belangrijk onderdeel van de reconstructieplannen is de aanwijzing van gebieden voor specifieke functies. Zo wordt er ruimte gecreëerd voor natuurontwikkeling in specifieke gebieden en de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven in andere gebieden, de Landbouw Ontwikkeling Gebieden. (LOG’s) Deze indeling wordt ook wel de ‘integrale zonering’ genoemd. Uitgaande van de situatie in de intensieve veehouderij zijn daarbij drie categorieën aangewezen:

  1. extensiveringsgebied; hier heeft de intensieve veehouderij geen groeimogelijkheden;
  2. verwevingsgebied; meerdere functies, waaronder intensieve veehouderij, krijgen hier een plaats. Uitbreiding van intensieve veehouderijbedrijven is hier alleen mogelijk als aan specifieke eisen wordt voldaan;
  3. landbouwontwikkelingsgebied; hier mag de intensieve veehouderij binnen de door Europa gestelde randvoorwaarden groeien.

Een belangrijk onderdeel van de afspraken is de zogenoemde ‘afwaartse beweging’. Dat wil zeggen dat voor de (nieuw)vestiging van grote agrarische bedrijven in de LOG’s elders ruimte vrijkomt voor andere functies zoals wonen, landschap, natuur en recreatie. Hierdoor wordt de patstelling in de ontwikkeling van diverse functies doorbroken. Overigens betekent de hervestiging dus ook, dat het totale aantal locaties niet toeneemt door de realisatie van LOG’s. Sterker nog, het aantal locaties zal door beëindiging en schaalvergroting zelfs afnemen. Zoals ik eerder in dit artikel al aangaf hebben veel agrarische ondernemers niet langer één bedrijf, maar vaak twee of drie bedrijven. Bedrijfsmatig is dat niet de meest gunstige situatie. Samenvoeging van meerdere bedrijven op één plek, die daarvoor meer geschikt is, biedt dan mogelijk veel kansen. Zowel voor de ondernemer als voor de locaties waar een bedrijf gestaakt wordt.


De praktijksituatie

Zoekgebieden voor landbouwontwikkelingsgebieden worden door de provincies aangewezen. Mede op basis van Milieu Effectonderzoek en Rapportages worden de effecten van de ontwikkeling, voordat tot realisatie wordt overgegaan, in beeld gebracht. De resultaten van deze onderzoeken dienen als essentiële input voor het proces om te komen tot een gebiedsvisie en het vaststellen van de kaders waarbinnen het landbouwontwikkelingsgebied wordt ingevuld. De gebiedsvisie wordt vervolgens nader uitgewerkt in een inrichtingsplan en een verkavelingsplan. Binnen de aangewezen zoekgebieden is de betreffende gemeente bevoegd een nadere begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied vast te stellen. Deze nader begrensde landbouwontwikkelingsgebieden dienen vervolgens planologisch verankerd te worden in een bestemmingsplan.

Binnen de landbouwontwikkelingsgebieden bestaat de mogelijkheid extra ruimte te bieden ten behoeve van de vestiging van nieuwe en de ontwikkeling van bestaande agrarische bedrijven. In de vorm van een agrarisch bouwblok van grotere omvang, tot wel 200% van de bouwblokken in andere gebieden. Deze planologische ruimte laat de milieuregelgeving onverkort in stand. De bedrijven, ook die binnen een LOG, zullen zowel individueel als gezamenlijk (cumulatief) moeten voldoen aan de criteria en eisen vanuit de milieuregelgeving. In de praktijk mag ik mij als projectleider bezig houden met de ontwikkeling van een landbouwontwikkelingsgebied. Daarbij blijkt dat de problematiek rondom de ontwikkeling van een dergelijk gebied complex is. Er zijn veel belanghebbenden en veel belangen, die lang niet altijd met elkaar stroken, bij betrokken. Dat is overigens niets vreemd in de ruimtelijke ordening.


Informatie en communicatie

Om het proces goed te kunnen begeleiden, is het zaak deze belanghebbenden en hun belangen goed in beeld te brengen. Het vooraf inventariseren van de belangen en luisteren naar de wensen en de zorgen die er leven, is van groot belang. Daarbij wil iedereen graag tijdig, en van de juiste informatie worden voorzien. Dat is niet altijd mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan onderhandelingstrajecten waarbij (veel) gemeenschapsgeld is gemoeid. Openbaarheid staat dan soms haaks op het belang van het voeren van goede onderhandelingen.

Voldoende aandacht en tijd voor informatieverstrekking en communicatie met alle belanghebbenden in de eerste fasen, werpt zijn vruchten af in de vervolgfasen. Een eenmaal opgebouwde weerstand is niet gemakkelijk om te buigen naar steun of medewerking. De gemeente Peel en Maas heeft ook in dit project een duidelijke rol op zich genomen. De gemeente neemt initiatief en zet anderen aan om te participeren en constructief mee te werken aan de kansen die er liggen. Zowel voor de agrarische sector als voor de burgers die in de buurt wonen, met name het dorp Egchel, staan we aan de vooravond om kansen om te zetten in resultaten. We zitten nog in de eerste fasen en er is nog veel te doen.

Geschreven door Ben Driessen.