Auteursarchief: Peter ter Telgte

Is uw i-functie klaar voor de toekomst?

Lees het gehele artikel

De rol en het takenpakket van de gemeenten zijn sterk in ontwikkeling. De uitvoering van de gemeentelijke taken wordt steeds meer afgestemd op andere overheden en ketenpartners. De uitvoering van het iNUP (basisregistraties en KCC-vorming), slimmer werken door samenwerken, werken onder architectuur, digitalisering van werkprocessen) veranderen niet alleen de inhoud van de i-functie maar stellen ook andere eisen aan de kennis en competenties binnen gemeente of samenwerkingsverband. Lees het bijgevoegde referentiemodel i-functie, waarin onze visie op de toekomst van de i-functie is weergegeven. Inmiddels hebben wij op basis van dit model in opdracht van KING voor de iNUP-Academy een analysetool GRIP genaamd ontwikkeld, waarmee snel inzicht kan worden verworven of uw gemeente klaar is voor de toekomst.

De i-functie moet een transitie doormaken van niet alleen ondersteunend vanuit de behoefte van de verschillende vakafdelingen, naar ook kaderstellend en standaardiserend vanuit de gemeentebreed ingezette ontwikkelingen. Daarbij wordt de relatie tussen de I-functie en functioneel beheer, gegevensbeheer, zakenbeheer en procesherinrichting steeds scherper in beeld: waar liggen de grenzen van de taakafbakening en hoe wordt de samenwerking goed ingeregeld. Steeds nadrukkelijker komt de vraag naar voren of de doorsnee gemeentelijke i-functie wel voldoende is toegerust zijn om adequaat op deze ontwikkelingen in te spelen. Met behulp van het referentiemodel i-functie kunnen gemeenten op systematische wijze deze vraag beantwoorden.

In deze notitie geven wij aan hoe gemeenten met dergelijke vragen en ontwikkelingen rond de i-functie kunnen omgaan. Wij baseren ons daarbij op de ervaringen die wij in een groot aantal opdrachten voor gemeenten op het snijvlak van ICT-vernieuwing, organisatie en dienstverlening hebben opgedaan. Uitgaande van een middelgrote gemeente (20- 60.000 inwoners) presenteren wij een referentiemodel i-functie als hulpmiddel om de gedachtewisseling over het toekomstige i-functie te structureren.

De toepassing van het referentiemodel I-functie

Het model is een hulpmiddel om voor elke gemeente scherper in beeld te krijgen welke maatregelen genomen moeten worden om de i-functie goed toe te rusten voor de toekomst. In het schema hieronder zijn de te nemen stappen beknopt weergegeven.

Stap 1 en 2 brengen de vraag en de uitgangssituatie (aan de hand van het model) in beeld. Wat is goed ingevuld, welke relaties zijn goed ingeregeld, waar is nog sprake van witte plekken of niet goed ingeregelde relaties en vooral: tot welke soort ongewenste situaties leidt de huidige situatie.

Stap 3 scherpt de vraag aan: waar zitten nu vooral de problemen en vormt daarmee de basis voor de oplossingsrichting, die in stap 4 benoemd wordt.

Tot slot worden in stap 5 de maatregelen op een rij gezet en vertaald naar acties, die nodig zijn om de geformuleerde oplossingen te bereiken.

Gemeenten kunnen zelfstandig het referentiemodel I-functie toepassen op hun eigen situatie. Ook is het mogelijk om de toepassing van het model door een deskundige adviseur van GEON of Telengy te laten begeleiden.

Opvragen publicatie ‘Referentiemodel I-functie’

Vul hier uw gegevens in. U krijgt dan direct een exemplaar per e-mail toegestuurd.

    Uw naam (verplicht)

    Uw e-mail (verplicht)

    Organisatie

    Functie

    Telefoon

    Meer informatie

    Download hier het NUP Alive en Kicking Magazine.

    Informatievoorziening sociaal domein

    Lees het gehele artikel

    Een goede informatievoorziening sociaal domein zal de kwaliteit van de dienstverlening verhogen en de kosten verlagen. Uit onderzoek blijkt dat een besparing vanwege minder administratieve lasten bij m.n. de uitvoerende medewerkers tussen 15-20% mogelijk is. Telengy zoekt een gemeente om samen een informatiescan lokaal sociaal domein uit te voeren. Op basis van deze scan kan de informatievoorziening sociaal domein in beeld worden gebracht en kunnen mogelijke verbeteringen inzichtelijk worden gemaakt.

    Achtergrond

    De rol van de gemeente op het gebied van zorg en welzijn wordt steeds groter. En daarmee ook de financiële risico’s die gemeenten lopen. De kosten die gemoeid zijn met het sociale domein overschrijden inmiddels de 50%. De ingezette tendens met de al gestarte decentralisaties van taken op het gebied van jeugd en begeleiding wordt in het nieuwe regeerakkoord versterkt. Aangekondigd wordt dat de gemeenten geheel verantwoordelijk worden voor de activiteiten op het gebied van ondersteuning, begeleiding en verzorging. (Concreet: er komt een nieuwe gemeentelijke voorziening van € 750 miljoen voor compensatie zorgkosten voor wie het niet zelf kan betalen).

    De decentralisaties gaan met veel budgetkortingen gepaard. Om efficiënter te kunnen werken krijgen gemeenten meer beleidsvrijheid.. In het regeerakkoord wordt dit expliciet gesteld. De gemeente voert deze taken veelal niet zelf uit. Een groot aantal organisaties, die meestal op een bovengemeentelijke schaal zijn georganiseerd, voeren deze taken uit. De gemeente komt steeds meer in de regierol en voert controle op de uitvoering. In gemeenten ontstaan – veelal geïnitieerd door de gemeente – netwerkorganisaties, die via een stelsel van afspraken de benodigde zorg verlenen.

    Uitgangspunt bij die afspraken is de behoefte van de cliënt, het leveren van maatwerk en het naadloos op elkaar aansluiten van de diensten van de bij één client/gezin betrokken organisaties. Daarbij is het adequaat kunnen sturen op voortgang essentieel. Daarvoor is een goede informatievoorziening voor de werking van de lokale netwerkorganisatie van cruciaal belang. Tegelijkertijd erg moeilijk te realiseren, vanwege:

    • Onvoldoende afbakening over rol- en verantwoordelijkheidsverdeling in de lokale zorgketen
    • Vragen over waarborgen privacy van de cliënt (zeker niet alle informatie mag gewisseld worden)
    • Hanteren van verschillen in definities door de verschillende partners
    • Verschillende geautomatiseerde systemen met verschillende inhoudelijke en technische standaarden

    Een onderzoek naar informatievoorziening en administratieve druk in een voorbeeld gemeente leerde dat de werkers in de zorg wel alle relevante informatie boven tafel krijgen, maar tegen een (te) hoge prijs. Gemiddeld – zo bleek in die situatie – besteedt een sociaal werker 35% van zijn tijd aan het vastleggen en achterhalen van informatie.


    De informatiescan sociaal domein

    De informatiescan sociaal domein moet gemeenten helpen om snel in beeld te krijgen:

    • Welke informatie voor de uitvoering van de (nieuwe) taken in de netwerkorganisatie nodig is;
    • Waar die informatie te vinden is;
    • Op welke wijze die informatie zo goed mogelijk toegankelijk gemaakt kan worden.

    De informatiescan is gericht op verschillende typen gegevens:

    Lokale gegevens vraag

    • Inzicht in huidige cliënten betrokken organisaties (inclusief overlap)
    • Inzicht in geografische spreiding huidige cliënten
    • Inzicht in hulpgeschiedenis bestaande cliënten
    • Inzicht in potentiële, toekomstige cliënten (landelijke ontwikkelingen, specifiek lokaal)

    Gegevens huidige cliënten

    • NAW-gegevens
    • Standaard-typering (type vraag en betrokken instanties)
    • Unieke gegevens diagnose/behandeling, zoals diagnose, behandelplan, te behalen eindresultaat, voortgangsinformatie (inhoudelijk en kwantitatief), regisseur/coördinator trajectplan.

    Gegevens van de betrokken organisaties in het netwerk

    • Overzicht van producten/diensten van de netwerkpartners
    • Inhoudelijke informatie over de werkmethoden van de partners
    • (E)-formulieren voor aanvraag indicatie
    • Voorwaarden indicatie (inclusief aan te leveren bewijsstukken)
    • Globaal inzicht in werkproces (inclusief daarbij geldende (geheimhoudingprotocollen)
    • NAW-gegevens betrokken partners in de netwerkorganisatie
    • Gegevens hulpverleners (gsm-nummer, emailadres, agendaraadpleging)
    • Producten en diensten die de netwerkorganisatie levert.

    Managementgegevens

    • Geleverde en beschikbare aantallen producten/diensten per partner
    • Kosten van geleverde producten/diensten in totaal en per cliënt
    • Periodiek: budgetuitputting per partnerorganisatie en voor het geheel
    • Gerealiseerde effecten

    Transformatie Jeugdzorg

    Lees het gehele artikel

    De Wet op de Jeugdzorg 2005 wordt aangepast. Gemeenten hebben de opdracht om samen met de aanbieders de jeugdhulp een nieuwe inhoud te geven. Jacqueline Kuppens van Kuppens Advies en Frank Verberne van Telengy gingen alvast aan de slag. Het resultaat is deze nota Jeugd Met Toekomst.

    Inleiding

    Vanwege onvrede met het huidige jeugdzorgstelsel, heeft de landelijke overheid besloten tot een verandering van de Wet op de jeugdzorg 2005. Vanaf – waarschijnlijk- 1 januari 2015 dragen gemeenten de verantwoordelijkheid voor de gehele jeugdzorg. Dit stelt gemeenten en aanbieders van jeugdzorg voor een majeure opdracht. De Kamercommissie Jeugdzorg heeft besloten om de voorbereiding van de nieuwe Jeugdwet door te laten gaan. Inmiddels is het conceptwetsvoorstel Jeugdwet gepubliceerd en kan daarop gereageerd worden. Gemeenten voeren nu al taken uit op het gebied van zorg voor jeugdigen: de jeugdgezondheidszorg en het preventieve jeugdbeleid waar taken als informatie en advies, signalering, licht ambulante hulpverlening, toeleiding naar zorg en de coördinatie van zorg deel van uitmaken.

    Daar komen onderstaande jeugdzorgtaken bij die nu op stadsregionaal of provinciaal niveau, in de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn verankerd:

    • toegangstaken voor de geïndiceerde jeugdzorg;
    • ambulante jeugdzorg;
    • open residentiële zorg;
    • semiresidentiële zorg;
    • pleegzorg;
    • crisishulp;
    • justitieel kader: jeugdreclassering en jeugdbescherming;
    • advies- en meldpunt kindermishandeling;
    • kindertelefoon;
    • overheveling extramurale begeleiding jeugd uit de AWBZ naar (vooralsnog) de Wmo, als onderdeel van decentralisatie Begeleiding AWBZ;
    • zorg voor jeugd met een licht verstandelijk beperking (jeugd-LVB);
    • de gesloten jeugdzorg (JeugdzorgPlus).

    Waarom een nieuw stelsel Jeugdzorg?

    De aanleiding voor de wetswijziging is de onvrede met het huidige jeugdzorgstelsel. De huidige wetgeving heeft er mede toe geleid dat de jeugdzorg versnipperd en minder efficiënt en effectief is. De parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg kwam al in 2009 tot de volgende conclusies:

    • Er ligt een te grote druk op de gespecialiseerde zorg;
    • Samenwerking rondom jeugd en gezin is onvoldoende;
    • Afwijkend gedrag wordt onnodig gemedicaliseerd;
    • Deze knelpunten drijven de kosten – onnodig- op.

    Wat houdt de wijziging van de jeugdzorg in hoofdlijnen in?

    Gemeenten hebben de opdracht om – samen met aanbieders- de jeugdhulp een nieuwe inhoud te geven. De nieuwe inhoud zou moeten leiden tot andere ondersteuning voor gezinnen en jeugdigen, minder zware hulpverlening, minder bureaucratie, lagere kosten en vergroten van de zelfredzaamheid. Eén gezin, één plan en één regisseur die soelaas biedt voor belemmeringen in zelfredzaamheid op alle levens- en ontwikkelingsgebieden van respectievelijk gezinnen en jeugdigen.

    Meer informatie in de Nota Jeugdzorg. Deze kunt u hier downloaden.

    Simpelveld verbetert haar publieke dienstverlening

    Lees het gehele artikel

    Gemeente Simpelveld werkt met een klantgerichte organisatie aan het verbeteren van haar publieke dienstverlening. Het landelijk dienstverleningsconcept Antwoord is daarbij leidend. Om haar klanten meer te bieden, heeft de Zuid-Limburgse gemeente het roer radicaal omgegooid. Doel is 100% klanttevredenheid.

    Simpelveld telt zo’n 11.000 inwoners. In de vakantieperiode kan de gemeente rekenen op flink wat extra aanloop. Onder meer door het bekende stoomtreintje dat jaarlijks zo’n 60.000 tot 70.000 bezoekers trekt. Ook het vele groen haalt menig toerist naar de poort van het Heuvelland. Burgemeester De Boer ziet ze graag komen, liefst voor langere tijd.

    “Toerisme wordt steeds belangrijker voor ons. We hebben er het landschap, de voorzieningen én de geschikte mensen voor. Onze ligging op de scheiding van het landelijke en stedelijke, met een keur aan dagattracties, maakt de gemeente extra aantrekkelijk.” Nieuwe economische kansen kan Simpelveld goed gebruiken, erkent de pas 32-jarige en daarmee tot voor kort Nederlands jongste burgemeester. “Net als veel gemeenten hier, hebben ook wij te maken met krimp en vergrijzing. Voor het behoud van een prettig leefklimaat, economische groei en een betere dienstverlening, moet je op zoek naar nieuwe mogelijkheden. Zoals het Antwoord-concept: luisteren naar de klant, zo nodig samen met collega’s of anderen, je verantwoordelijkheid nemen en voor de klant een optimale oplossing zoeken.”

    Zaak en procesgericht werken

    Simpelveld wil de publieke dienstverlening verbeteren en zaak- en procesgericht gaan werken. Om haar mensen daarbij te ondersteunen ging de gemeente op zoek naar een zaaksysteem. Medewerkers werden nauw betrokken bij dat selectieproces. Een lijn die projectleider Ger Wischmann steeds heeft aangehouden: “Zaakgericht werken is een containerbegrip. Mensen moeten zelf ontdekken wat voor hén de meerwaarde is. Je begint met een algemene visie die je steeds verder gaat verfijnen. Samen op weg, van grof naar fijn, van wens naar praktijk, en dat vertalen naar het systeem.” Frank Verberne van Telengy werd gevraagd dit traject te begeleiden. Hij is zeer te spreken over de aanpak van Simpelveld. “Zaakgericht werken en organisatieontwikkeling zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat wordt vaak niet onderkend. Samenwerken, taakvolwassen en zaakgericht, dat zijn hier geen losse begrippen. Ze zijn verbonden aan het organisatieontwikkelingsproces. Het is een manier van denken en handelen die steeds meer in de organisatie verweven is. Daar hebben we veel effort in gestopt. We hebben mensen zelf laten formuleren wat zij verstaan onder zaakgericht werken en wat je daarvoor nodig hebt. Dat creëert draagvlak . En dat is dé ideale manier om zaakgericht te gaan werken en daarmee samenhangend een zaaksysteem te selecteren en in te richten. Eerst de richting bepalen en dan pas je keuze maken. Zo zijn we uiteindelijk bij Verseon van Circle Software terecht gekomen. ”

    Ook het management is actief betrokken bij de aanschaf en inrichting van een zaaksysteem. John Lennertz, hoofd dienstverlening: “Het belangrijkste is dat we werken vanuit een gezamenlijk gedragen visie. De focus ligt daarbij op de vraag: hoe kunnen we onze klanten vanuit een gecoördineerd proces zo goed mogelijk helpen? Een zaaksysteem is daarbij alleen maar een middel. Sámen werken aan het beantwoorden van de klantvraag, dat staat centraal. Daarbij is de taakvolwassen medewerker de spin in het web. Onze mensen weten als geen ander hoe ze hun werk moeten doen. Op basis daarvan ga je een zaaksysteem inrichten. We volgen daarbij zoveel mogelijk het generieke werkproces. Daarom zijn wij op zoek gegaan naar een systeem waarbij het werkproces op hoofdlijnen is ingericht. Zodat we zelf – waar dat nodig is – maatwerk kunnen toevoegen. Wat dat is, weten onze medewerkers zelf het beste.”

    Keuze voor Verseon

    Uiteindelijk bleek Verseon het beste te passen bij de visie en wensen van Simpelveld. Ger Wischmann: “Door de intensieve betrokkenheid van de organisatie hebben mensen niet het gevoel dat het systeem hen wordt opgelegd. Bovendien biedt Verseon voldoende ruimte om processen gaandeweg nog bij te schaven en te kneden. Dat is prettig voor de medewerkers. Zij moeten ermee kunnen werken.” Er is sterk ingezet op het creëren van draagvlak, op ieder onderdeel. De revenuen daarvan zijn nu merkbaar, ondervindt algemeen directeur/ gemeentesecretaris Piet Schillings “Bij de introductie van het zaaksysteem was er weinig weerstand. Mensen pakken het op en gaan ermee aan de slag. De een zit er wat gemakkelijker in dan de ander, maar we hoeven niemand meer te overtuigen van het nut en de noodzaak.”

    De praktijk : anders werken?

    Inmiddels is Verseon geïmplementeerd en wordt er volop mee gewerkt. Het zaaksysteem ondersteunt de medewerkers om klanten beter te bedienen. Ger Wischmann: “Medewerkers hebben zicht op hun werkvoorraad, we kunnen afhandeltermijnen bewaken, collega’s werken gelijktijdig aan een zaak, enkele werkprocessen zijn op maat gemaakt, managementinformatie maakt sturen op resultaat mogelijk, sjablonen vereenvoudigen het werk, alle zaakinformatie is gebundeld en eenvoudig te gebruiken en er is statusinformatie. Maar het is ook één groot leer- en ontwikkelproces. Steeds weer lopen we tegen nieuwe vragen aan en vinden we daar samen ook weer antwoorden op. Zaakgericht werken is nooit ‘af’, we blijven ontwikkelen. Daarbij maken we gebruik van ervaringen van anderen en ook onze eigen ervaring willen we graag delen.”

    Burgemeester De Boer: “Voorheen hadden wij uiteenlopende openingstijden voor bijvoorbeeld de aanvraag van een nieuw paspoort of de aanvraag van een vergunning. Doordat we nu zoveel mogelijk producten en diensten in één loket aanbieden, heeft de burger één aanspreekpunt en kunnen we ruimere openingstijden hanteren.” John Lennertz voegt daaraan toe: “We willen steeds meer relatief eenvoudige vragen in de eerste lijn afhandelen. Daardoor ontstaat er meer ruimte om moeilijke aanvragen in de tweede lijn te behandelen. We gaan ook meer op afspraak werken, zo nodig ook later op de dag of ‘s avonds. Zo verloopt de dienstverlening intern beter gestructureerd en kunnen we de klant maatwerk bieden. Daarnaast kunnen onze klanten in de toekomst steeds meer zaken vanuit thuis met ons regelen. Die mogelijkheden kunnen wij met Verseon faciliteren. Zodat klanten snel en efficiënt geholpen worden of ze nou via internet, telefoon, post of via de balie bij ons binnenkomen.”

    Meespelen in voorhoede

    Burgemeester De Boer is content met de vorderingen die er tot nu toe zijn geboekt, maar wil de schwung er graag in houden. “We zijn nooit klaar. Oké er zijn hekken verzet. We hebben visie. We hebben een nieuwe organisatiestructuur. Prima. We hebben training gehad, ook goed. We hebben nieuwe instrumenten zoals Verseon om zaakgericht te werken. Helemaal perfect! Maar daarmee zijn we er nog niet. Alles moet goed functioneren en ook goed blijven functioneren. De aandacht mag niet verslappen. Want een organisatieverandering doorvoeren is één, de beweging erin houden, daar is meer voor nodig. Onze klanten moeten tevreden zijn en blijven. Daarin spelen wij graag mee in de voorhoede.”

    ICT-samenwerking Hoeksche Waard

    Lees het gehele artikel

    Eén hoogwaardig, facilitair ICT-bedrijf van en voor de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Strijen en Oud-Beijerland. Dat is wat de vijf Hoeksche Waardse gemeenten beogen met het aangaan van een samenwerkingsverband op ICT-gebied per 1 januari 2013. Door deze samenwerking verminderen de gemeenten de kwetsbaarheid van de ICT, verhogen zij de kwaliteit van de (interne) dienstverlening en de bedrijfsvoering, en realiseren zij dit met minder kosten in vergelijking met een gemeente die dezelfde ambities individueel nastreeft. Drie belangrijke argumenten om de krachten te bundelen, aldus de vijf colleges. Zij stemden op 26 juni 2012 en 3 juli 2012 in met het samenwerkingsverband.

    ICT-samenwerking Hoeksche Waard

    ‘ISHW’, oftewel ICT-Samenwerking Hoeksche Waard, is de naam van de nieuwe ICT-organisatie die gaat zorgen voor beleid, systeembeheer, techniek, applicaties, en gegevens voor inkoop en invoering van ICT-oplossingen. Het ISHW voert dus niet alleen de automatiseringstaken in de deelnemende gemeenten uit, maar verzorgt ook de informatisering. Daarbij maakt ze gebruik van beschikbare standaarden (landelijk of binnen ISHW). Maatwerk per gemeente of in een aantal gemeenten is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk.

    De nieuwe organisatie draagt bij aan het realiseren van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van dienstverlening en bedrijfsvoering, en anticipeert op landelijke ontwikkelingen, zoals decentralisatietaken en de plannen en richtlijnen van het Nationaal Uitvoerings Programma (i-NUP).

    Operationeel

    Dit jaar is al gestart met het bijeenbrengen van delen van de automatisering, zoals de servers. In 2013 brengen de gemeenten de medewerkers en informatiseringstaken onder bij de ICT-Samenwerking Hoeksche Waard. Dit gebeurt in fasen. Bij de start op 1 januari 2013 bestaat de organisatie uit 15 fte, uiteindelijk zullen dit er 23 zijn. Ook wordt een strategische adviseursrol ingevuld met een sterke ICT-achtergrond die als linking pin gaat fungeren tussen de vijf deelnemende gemeenten en de ICT-Samenwerking Hoeksche Waard. Het gemeentehuis van Binnenmaas biedt onderdak aan de formatie. Zo is er één organisatie, onder één leiding, onder één dak.

    Meeverhuizen

    In principe verhuizen alle medewerkers van de ICT-werkeenheden mee naar de nieuwe organisatie. Waar nodig krijgen medewerkers middelen aangeboden om zich te kunnen ontwikkelen tot het gevraagde kennis- en vaardighedenniveau. Hoe alles precies wordt geregeld op het gebied van personeel en organisatie wordt vastgelegd in een sociaal plan. Dit sociaal plan wordt in de zomermaanden verder uitgewerkt en voorbereid op het besluitvormingstraject.

    Besluitvorming

    Nu de colleges hebben ingestemd met de nieuwe ICT-organisatie, is het na het zomerreces de beurt aan de gemeenteraden om een besluit te nemen over de ICT-Samenwerking Hoeksche Waard. Als ook zij akkoord gaan, wordt een implementatieplan opgesteld en gaat de daadwerkelijke realisatie van de ICT-Samenwerking Hoeksche Waard van start.

    CBR maakt digitale aanvraag Eigen Verklaring Rijbewijs mogelijk

    Lees het gehele artikel

    Naar aanleiding van het Telengy-onderzoek “Eigen Verklaring Rijbewijs onnodig bij gemeenteloket” maakt CBR bekend dat per 1 juli 2012 het mogelijk wordt voor kandidaten 1e examen rijbewijs A, B of BE om digitaal via Mijn CBR.nl de aanvraag Eigen Verklaring Rijbewijs in te dienen.


    Eind 2012 volgen de andere categorieën rijbewijs inclusief de Eigen Verklaringen Rijbewijs met een medische achtergrond.

    Meer informatie over digitale aanvraag Eigen Verklaring Rijbewijs

    Inloggen op mijn.cbr.nl gebeurt met DigiD, de persoonlijke digitale legitimatie voor overheidsdiensten. Klanten betalen hun Eigen verklaring met iDEAL. De prijs van de digitale Eigen verklaring via mijn.cbr.nl is € 23,40 (tarief 2012). Een Eigen verklaring kan ook nog steeds digitaal via de rijschool worden ingediend. Lees verder op de website van het CBR


    Zie ook

    Website van Binnenlands Bestuur.

    Eigen verklaring Rijbewijs onnodig bij gemeenteloket

    Lees het gehele artikel

    Gemeenten krijgen jaarlijks circa 600.000 onnodige klantcontacten voor het aanvragen van een Eigen Verklaring Rijbewijs. De aanvrager heeft hierbij nog steeds last van het kastje-naar-de-muur-syndroom. Het formulier koop je bij de gemeente, terwijl de aanvraag  voor een Eigen Verklaring Rijbewijs door het CBR behandeld wordt.

    Eigen Verklaring Rijbewijs

    In het verleden was het verplicht een uittreksel GBA te overleggen samen met de aanvraag voor een Eigen Verklaring Rijbewijs en daarmee was het gemeenteloket een logische plaats voor het kopen van de aanvraag. Inmiddels is het meeleveren van het uittreksel GBA niet meer nodig.

    Telengy deed dit voorjaar onderzoek.


    Lees ook

    In Binnenlands Bestuur van 20 juni , Gemeente.nu en inGovernment aandacht voor het onderzoek van Peter ter Telgte.

    Dossier sociaal maatschappelijk domein

    Lees het gehele artikel

    Het beleidsarm overnemen van de Wmo heeft bij veel gemeenten geleid tot grote tekorten. De druk om het Wmo-budget meer verantwoord te besteden neemt toe. Gemeenten staan voor de uitdaging om samen met (zorg)aanbieders de ondersteuning aan burgers doelmatiger en effectiever te organiseren. Dit betekent dat een efficiëntere inzet van middelen nodig is, zowel in de voorbereiding als in de uitvoering.

    Iedere gemeente worstelt daarom met dezelfde vragen: welke middelen en mensen zetten we in en welk beleid ontwikkelen we om elke Wmo-euro maximaal te laten renderen? Om deze vragen te beantwoorden moeten gemeenten de eigen organisatie (beleid en uitvoering) onder de loep nemen.

    Van claimgericht naar oplossingsgericht

    Gemeenten beoordelen bij een Wmo-aanvraag niet waar de burger recht op heeft, maar wat hij nodig heeft. Heel logisch eigenlijk. De eigen kracht van de burger staat centraal in het bieden van maatwerk. Wat kan de burger nog zelf doen, hoe is zijn situatie, wat kan zijn omgeving voor hem doen? Pas na het benutten van deze collectieve mogelijkheden komen individuele voorzieningen in beeld.

    Nieuwe ontwikkelingen: uitstel is geen afstel

    Het sociaal maatschappelijk domein binnen gemeenten is door de recente politieke ontwikkelingen opnieuw sterk in beweging. De politieke veranderingen op rijksniveau hebben ook invloed op de transformatie van de Wmo. Decentralisaties zijn tot nader order uitgesteld of zelfs teruggedraaid. Maar ondanks dit uitstel is het kantelen van de Wmo niet van de baan. De compensatieplicht blijft van kracht en wacht op een passende en kosteneffectieve invulling volgens de Kanteling: van reactief naar proactief, van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dat’.

    Uitdaging

    Ondanks het Lente-akkoord is er geen tijd te verliezen! De decentralisatie van de Wmo zal vertraagd doorgaan. Gemeenten zullen door moeten gaan met de transformatie om voorbereid te zijn op de decentralisatie en een structureel kostenbesparende efficiëntieslag te maken. De gemeenten voor de uitdaging ervoor te zorgen het huis op orde te hebben op het moment dat de overhevelingen doorgang vinden.

    Innovatie

    De Kanteling vraagt om innovatie van aanbieders en verstrekkers. Nu de decentralisaties zijn uitgesteld, hebben gemeenten extra voorbereidingstijd. Ze kunnen de uitvoering van de Wmo transformeren zoals de wetgever bedoeld heeft: een beleidsrijke aanpak die de klant centraal stelt en die de zorgplicht verschuift naar een compensatieplicht. Door het optimaliseren van werkprocessen, ontwikkelen van sturingsmethodiek, opleiden van consulenten in het kantelinggericht werken en het herindiceren van klantgroepen. Daarnaast kunnen gemeenten samen met aanbieders het huidige aanbod verder ontwikkelen en constructief afstemmen tussen verordening en uitvoering. Genoeg werk aan de winkel dus!

    Telengy

    Telengy ondersteunt u bij de transformatie van de Wmo en bij het realiseren van de Kanteling en de noodzakelijke structurele besparing. Een van onze proposities is dat we samen met u een structurele efficiëntieslag realiseren (besparingen). Onze specialisten doen dat op een verantwoorde wijze en altijd met oog voor uw burgers. Wat we doen is ook steeds maatwerk: Passend bij uw politieke constellatie, beleidsontwikkeling en uitvoeringspraktijk. Dat is voorwaarde om veranderingen ook structurele veranderingen te laten zijn Onze aanpak bestaat veelal uit:

    Specialistische screening en realistisch voorstel

    Onze specialisten kennen de uitvoering, de nieuwe wetgeving en de mogelijke beleidskeuzes van Wmo, Wwb en Schuldhulpverlening tot in detail. Ook de valkuilen, de tegenstrijdigheden in regelgeving en juridische aspecten van mogelijke beleidswijzigingen zijn dankzij hun jarenlange ervaring bekend terrein. Onze specialisten analyseren vrijblijvend uw situatie. In ons realistisch voorstel ziet u in één oogopslag wat uw besparingsmogelijkheden zijn. Dit overzicht geeft u ook houvast voor de inhoudelijke discussie binnen uw organisatie.
    Meer over grip en regie op schuldhulpverlening

    Verantwoorde besparingen op maat

    Wij werken volgens de principes van de Kanteling. De eigen kracht van de burger staat centraal. Wij voorkomen kaalslag voor brede doelgroepen, wij garanderen maatwerk. Wij vinden samen met u verantwoorde structurele besparingen met bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak.
    Meer over slim besparen met Wmo, WWB en schuldhulpverlening

    Coaching on the job

    Uw uitvoerende consulenten krijgen met coaching on the job ondersteuning van onze deskundige specialisten. Zo hebben zij meer tijd om zich te verdiepen in de komende wijzigingen. Door onze coaching worden uw consulenten betere gesprekspartners en tillen zij het indiceren naar een hoger niveau. U realiseert zo een structurele verandering in uw organisatie.
    Meer over verantwoorden herindiceren op basis van no cure no pay

    Tijdige bijsturing

    Tijdens het traject krijgt de projectleider een goede kijk op de werkwijze van uw gemeente en voorziet hij de gemeente proactief van praktische tips uit andere gemeenten.
    Meer over verantwoorden herindiceren op basis van no cure no pay

    Slim gebruik van basisregistraties

    Door gegevens uit verschillende basisregistraties slim te combineren krijgt u belangrijke informatie waardoor mogelijk oneigenlijk gebruik van uitkeringen in beeld komt.
    Meer over de i-spiegel en de i-coach

    Meer informatie

    Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marcel Lemmen.

    Eigen Verklaringen Rijbewijs onnodig bij gemeenteloket

    Lees het gehele artikel

    Gemeenten krijgen jaarlijks circa 600.000 onnodige klantcontacten voor het aanvragen van een Eigen Verklaring Rijbewijs. De aanvrager heeft hierbij nog steeds last van het kastje-naar-de-muur-syndroom. Het formulier koop je bij de gemeente, terwijl de aanvraag door het CBR behandeld wordt.

    In het verleden was het verplicht een uittreksel GBA te overleggen samen met de aanvraag en daarmee was het gemeenteloket een logische plaats voor het kopen van de aanvraag. Inmiddels is het meeleveren van het uittreksel GBA niet meer nodig en is de meerwaarde voor een (digitale) gang naar het gemeentehuis nihil. Sterker nog, het kost de aanvrager veelal meer geld. De vaste prijs voor een aanvraag Eigen verklaring rijbewijs bedraagt € 23,40 euro (prijspeil 2012), terwijl de prijs per gemeente verschilt tussen € 22,- en € 34,-. Verder is de aanvrager verplicht het formulier per post te verzenden. Dit blijkt uit onderzoek onder 153 gemeenten, uitgevoerd door Telengy.

    De 153 deelnemende gemeenten aan het onderzoek hebben gezamenlijk 91.620 Eigen Verklaringen Rijbewijs in 2011 afgegeven. Gezamenlijk hebben deze gemeenten 3.687.315 inwoners. In 2011 heeft het CBR bijna 600.000 aanvragen Eigen Verklaringen Rijbewijs in behandeling genomen (596.728 aanvragen in 2011, bron CBR). Meer onderzoeksmateriaal is als bijlage beschikbaar.

    Iedereen die rijexamen doet bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) moet een Verklaring van Geschiktheid hebben. Een Verklaring van Geschiktheid wordt aangevraagd door het insturen van een formulier Eigen Verklaring naar het CBR. Dat is een formulier met vragen over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid. Het formulier is met name te koop bij de gemeente.

    Met het ontwikkelen van de e-overheid zou het natuurlijk ook heel anders kunnen. Een digitaal formulier met DigiD, eventueel met DigiD-machtigen voor de rijschoolhouder of de arts in verband met de gezondheidsverklaring, de voortgang kan de aanvrager volgen via MijnOverheid of MijnCBR. Dit scheelt de aanvrager een gang naar de gemeente en de brievenbus. Gemeenten hebben op jaarbasis 600.000 klantcontacten minder af te handelen, waarvan de meerwaarde ook nog eens nihil is.

    Verantwoord herindiceren Wmo no cure no pay

    Lees het gehele artikel

    Het beleidsarm overnemen, oftewel herindiceren Wmo, leidde bij veel gemeenten tot grote tekorten. De druk om het Wmobudget verantwoorder te besteden neemt daarom toe. Onze specialisten realiseren samen met u de noodzakelijke structurele besparing. Op een verantwoorde wijze en altijd met oog voor uw burgers. Wij zijn ervan overtuigd dat onze aanpak werkt. En dat we u meer opleveren dan we kosten. Dat garanderen we u in concrete resultaatafspraken.

    Onze werkwijze: no cure, no pay

    We beginnen met een vrijblijvende analyse om te berekenen hoeveel u structureel kunt besparen. In een realistisch voorstel laten we u zien hoe wij deze besparing verantwoord voor u kunnen realiseren. We spreken vervolgens een resultaatverplichting en een prestatiebeloning met u af. Het resultaat dat we structureel voor u behalen, bepaalt de vergoeding voor het geleverde werk. De terugverdientijd is altijd maximaal één jaar. En boeken we geen besparingsresultaat? Dan hoeft u ons niets te betalen. No cure, no pay. Helder, toch?

    Wij werken volgens de principes van de Kanteling en leggen de nadruk op de eigen kracht van uw burgers. Geen kaalslag, maar verantwoord maatwerk.

    Gemeente Dongen: herindiceren met een sociaal hart

    Ook de gemeente Dongen wil het Wmo-budget nu en in de toekomst efficiënter besteden. Daarom stelden ze een spoorboekje op met besparingsmaatregelen, zoals een herindicatie- en besparingsproject voor Hulp bij het Huishouden. De specialisten van Telengy voerden dit project voor hen uit.

    Vergoeding in de pas met budgettair voordeel

    Jack van Leuken, verantwoordelijk teamleider van de gemeente Dongen beschrijft de aanpak: “Twee specialisten van Telengy analyseerden eerst grondig onze situatie. Ze schreven daarna een realistisch en verantwoord besparingsvoorstel.” Gemeentesecretaris Henk van Noort vult aan: “Wat daarbij opvalt, is de prestatiebeloning van Telengy op no cure, no pay-basis. Ze maken vooraf een staffel zodat je kunt zien dat hun vergoeding in de pas loopt met het budgettair voordeel dat ze voor je behalen. Heel eerlijk en duidelijk.”

    Focus op maatwerk en zelfredzaamheid

    Telengy legt de nadruk op maatwerk en de eigen kracht van de burgers en werkt altijd volgens de principes van de Kanteling. Marina Starmans, als wethouder in Dongen verantwoordelijk voor de Wmo, waardeert deze werkwijze: “We passen ons beleid aan om de Wmo betaalbaar te houden. Dat kan niet anders. Maar het gaat hier zeker niet om een ordinaire bezuinigingsronde. We kozen bewust voor herindiceren met een sociaal hart. En die aanpak werkt; de onrust is gelukkig achterwege gebleven. Procentueel gezien is het aantal bezwaarschriften dat we kregen niet afwijkend van de norm. Daar ben ik erg tevreden over.”

    Resultaatafspraken overtroffen zonder burgers tekort te doen

    Gemeentesecretaris Van Noort: “De herindicatie is een duidelijke vertaling van onze visie ‘Van een zorgzame gemeente naar een zorgzame samenleving’. Telengy is zorgvuldig te werk gegaan en heeft meer dan voldoende aan onze verwachtingen voldaan.” “Telengy heeft de resultaatsafspraken zelfs overtroffen,” voegt Van Leuken toe. “Ik heb Telengy als een professionele partner ervaren. Herindiceren is natuurlijk een gevoelig onderwerp, dus er liep ook wel eens iets minder soepel. Maar omdat de lijntjes kort waren, was dit altijd snel bespreekbaar. Dongen heeft al jaren een klanttevredenheidscijfer tussen de 7,5 en 8. Dit jaar zal dat niet anders zijn, verwacht ik. Zelfs na deze besparingen.”

    Meer informatie

    Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marcel Lemmen,

    Overheid in Beweging: De Verbinding

    Lees het gehele artikel

    Deze Overheid in Beweging De Verbinding staat helemaal in het teken van verbinden middels vitale coalities. Samenwerken is geven, je eigen belang verbinden aan het belang van de ander. En als gelijkwaardige partners inversteren in het gezamenlijk belang. In deze OiB delen uw collega’s hun praktijkervaringen en leest u de inspirerende visie van de gastsprekers van de themadag.

    • Limburgse netwerk-RUD
      Focus op kwaliteitsverbetering.
    • Samenwerking werpt vruchten af
      I-NUP implementatiecommunity verbindt gemeenten.
    • Tijd voor nieuwe keuzes
      Vitaal-grijze coalities zijn de toekomst.
    • Bijzondere ontmoeting
      “Zet bezielde mensen bij elkaar, dat kan alleen maar tot succes leiden.”
    • Strategische samenwerking
      Toverwoord vitale coalitie Waalre, Simac en Telengy: Vertrouwen!
    • Opdrachtgeverschap
      Alphen aan den Rijn zoekt partner kwaliteit via aanbesteding.
    • Kijk met andere ogen
      De verborgen schat van I-NUP.
    • Soundbites
    • Stichting Life in
      Explore Yourself voor Ethiopië.

    U kunt deze Overheid in Beweging De Verbinding hieronder downloaden:

    Overheid in Beweging De Verbinding

    Vitaal grijs: Profilering van een plus-generatie

    Lees het gehele artikel

    Het percentage mensen dat de 65-jarige leeftijd bereikt, is in ruim honderd jaar meer dan verdubbeld (figuur 1). Van degenen die rond 1860 geboren werden, heeft ruim 30% in 1925 de 65-jarige leeftijd bereikt, van degenen die in 1980 geboren zijn zal meer dan 80 % in 2045 de 65-jarige leeftijd bereiken. Deze laatstgenoemden hebben dan nog een gemiddelde levensverwachting van ruim 21 jaar (figuur 2). Midden deze eeuw zal bijna 14% van de bevolking 75 jaar of ouder zijn, 5% zal 80 jaar of ouder zijn, en 25% 65 jaar of ouder. Welbeschouwd een revolutionaire ontwikkeling in de samenstelling van de bevolking vergeleken met de piramide van 1900.

    Door Kees Knipscheer

    Het is nog amper 10 jaar geleden dat vrijwel iedere 55-jarige die even stilstond bij zijn arbeidsloopbaan de vraag op de lippen kreeg: “Hoe lang moet ik nog?”, “Komt de VUT al in het perspectief”, om zich vervolgens langzaam te verlustigen in het Zwitserleven gevoel. Als je in 2000 serieus sprak over doorwerken na je 65ste werd je aangekeken alsof je van een andere planeet kwam. Terugkijkend vanaf nu kan men zich dit moeilijk voorstellen want langer werken is anno 2011 in “the air”, ondanks het feit dat diverse institutionele arbeidsmarktpartijen nog achterhoede gevechten houden en de overheid weerhouden om in rap tempo de AOW leeftijd op te trekken naar minimaal 67 jaar. Hoe is het mogelijk? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat maatschappelijk gezien de noodzaak van het langer werken voor de komende jaren al een zekere vanzelfsprekendheid heeft gekregen. De nieuwste voorspellingen van het CBS hebben dat alleen maar versterkt. Het CBS voorziet voor 2040 4,6 miljoen 65-plussers, waaronder minimaal 5000 honderdjarigen. De mannen die in 2007 65 jaar werden hadden nog een levensverwachting van 17,4 jaar, waarvan 11,2 gezonde levensjaren (CBS, persbericht 2010).

    Rond 50/55 jaar dienen zich in het leven van veel mensen enkele veranderingen aan – zowel in de gezinscontext als met betrekking tot de arbeidsloopbaan – die direct een impact hebben op de manier waarop ze in het leven staan (Knipscheer, 2006). Als ouders 50/55 jaar worden gaan de kinderen een meer zelfstandig leven leiden en vindt er een afbouw plaats van de intensieve opvoedingsfase. Dit opent nog meer mogelijkheden om andere ambities te ontwikkelen. Daarnaast ebt het perspectief op het nog verder carrière maken in de lijn van de eerste carrière langzaam weg, als het al niet eerder is afgenomen. Nu het alternatief van het afglijden naar de VUT geen optie meer is, kan het nuttig en aantrekkelijk zijn serieus na te denken over een bijstelling van de invulling van de laatste fase van de arbeidscarrière. De overgang naar de derde leeftijd vormt een goede aanleiding een voorlopige balans op te maken van het eigen leven en van daar uit een plan te ontwerpen voor die derde vitale fase; een plan dat gebaseerd is op de opgebouwde levenservaring – zowel in beroepsmatige zin als in de zin van algemene levenservaring – en dat aansluit bij de persoonlijke kwaliteiten, capaciteiten en sterke kanten (vaardigheden, (vak)kennis, inzicht, levensfilosofie) en als zodanig nieuwe levensvervulling kan geven. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Immers rond dezelfde leeftijd is de kans groot dat een werknemer het etiket “oudere werknemer” krijgt opgeplakt en vrijwel kansloos is op de huidige arbeidsmarkt. Eerder heb ik deze fase omschreven als een tweede adolescentie (Knipscheer, 2006) die ik in 2010 kwalificeerde als een seniore keuzebiografie waarbij het keuze element zowel verwijst naar de breedte van de keuzes als naar de relatieve vrijheid van keuzes. Deze tweede adolescentie is bij uitstek geschikt om een nieuwe balans te zoeken tussen een vernieuwde bijdrage op de arbeidsmarkt en een vernieuwde levensvulling in de lijn van Eriksons generativiteit (Eriksons, ). Een seniore keuzebiografie waarin het accent op de arbeidsmarkt bijdrage geleidelijk afneemt en het accent op de generativiteit groter wordt. Idealiter zou op deze manier een harmonieuze transitie van betaalde arbeid naar stoppen met “werken” bereikbaar kunnen zijn.

     

    Een korte geschiedenis van 55-65

    Een korte analyse van de “maatschappelijke” geschiedenis van de levensfase 55-65 profileert de overgang van een vrij inhoudsloze “derde leeftijd” naar een levensfase van 55-75 met een geheel eigen karakter en inhoud. De eerste twee decennia na de Tweede Wereldoorlog was het vanzelfsprekend tot de leeftijd van 65 actief te zijn op de arbeidsmarkt (in 1960 was van de mannen tussen 55 en 64 jaar 90 % aan het werk). In de jaren zestig en begin zeventig van de vorige eeuw onderkende de SER dat van oudere werknemers op hun vertrouwde werkplek te veel gevraagd werd. De SER werkte op basis van diverse grootschalige onderzoeken adviezen uit voor de aanpassing van de werkplek voor oudere werknemers. Dit alles was er op gericht de oudere werknemer zo lang mogelijk in het arbeidsproces te behouden. De invoering van de Wet op de Arbeidsongeschiktheid maakte dit in de loop van de zeventiger jaren in zekere zin overbodig.

    In de loop van de jaren zeventig stagneerde de economie en stroomden de eerste cohorten van de naoorlogse geboortegolf de arbeidsmarkt op. Vanaf het begin van de jaren tachtig ontstond er een groot overschot aan arbeidskrachten en een economische noodzaak tot reorganisatie van bedrijven. Een voor de hand liggende (!) maar ook ingrijpende oplossing werd gevonden in het vervroegd laten stoppen van de oudere werknemers met behoud van inkomen (inclusief opgelegde beperkingen voor het herintreden). De adviezen van de SER uit de jaren zestig raakten hiermee totaal uit het zicht. De positionering van de oudere werknemer op de arbeidsmarkt werd in deze periode primair een exit-verhaal, zij het via de WAO, zij het via de VUT-regelingen.

    In de loop van de jaren negentig komt er geleidelijk wederom een verschuiving in die positionering van de 55-65 jarigen, ook al blijkt het niet zo eenvoudig om de inmiddels verworven rechten van de oudere werknemer terug te dringen. Vanaf die tijd trekt de economie aan, neemt de instroom van jongere werknemers af en hangt de verwachte massale uitstroom van de babyboomers als een zwaard van Damocles boven de arbeidsmarkt. Het beleid wordt er op gericht om mensen langer in het arbeidsproces te houden. Nog weer een decennium later besluit de overheid zelfs een geleidelijke optrekking van de AOW-leeftijd naar 67 te willen doorvoeren, meer gemotiveerd door de economische crisis en de toenemende vergrijzing dan door de zorg over de positionering van de oudere werknemers als zodanig.

    De volgende kanttekeningen kunnen geplaatst worden bij de in zo juist beschreven opeenvolgende wisseling in de positionering van de oudere werknemer. Op de eerste plaats demonstreert deze prachtig dat deze positionering in sterke mate gestuurd werd door de stand van de economie en door de demografische samenstelling van de arbeidsmarkt. Het feit dat de langdurige geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog golfbewegingen in de Nederlandse arbeidsmarkt veroorzaakt, speelt ons nog steeds parten. Een tweede kanttekening betreft het feit dat mensen op de arbeidsmarkt werden geconfronteerd met een aantal diep ingrijpende veranderingen in hun werksituatie en carrière. De snelheid van de technologische ontwikkelingen als zodanig, de digitalisering van het informatie verkeer en de voortgaande globalisering hebben er toe geleid dat het concept levensloop-carrière en een vaste baan voor het leven achterhaald zijn. Dit is niet meer de situatie waarin mensen nu op de arbeidsmarkt komen. Zowel de veranderende leeftijdssamenstelling van de arbeidsmarkt populatie als de veranderingen wat betreft de loopbaan trajecten hebben er toe bijgedragen – en dit is de derde kanttekening – dat de opvattingen over de inrichting van de levensloop/arbeidscarriere mede als gevolg van een langere levensverwachting aan verandering onderhevig zijn. Tegen de tijd dat ongeveer 80 % van de Nederlanders minstens de leeftijd van 65 jaar bereikt gaat het in de levensperiode van 55-75 jaar bij de overgrote meerderheid van hen niet meer primair om de ooit geambieerde top-positie en maximalisering van het inkomen maar primair om met de inzet van hun vitaliteit en creativiteit om nieuwe uitdagingen te vinden, in een formele arbeidspositie dan wel in een maatschappelijk functioneren onder de koepel van vrijwilligerswerk. M.a.w. de levensperiode 55-75 jaar heeft een eigenstandig karakter gekregen.

    Vanaf het midden van de vorige eeuw heeft het westerse arbeidsmarkt denken zich laten leiden door een tweedeling van de levensloop. Tot de leeftijd van 65 werd volledige werkgelegenheid nagestreefd, niet alleen met het oog op een redelijk arbeidsinkomen voor elke werknemer (en werkgever) maar ook met het oog op het opbouwen van een redelijk pensioen voor daarna. Gezien de demografische ontwikkelingen, m.n. de combinatie van de langere levensverwachting en de proportionele groei van het aantal mensen waarvoor die langere levensverwachting geldt, lijkt het op den duur onvermijdelijk dat de eind-leeftijd voor de (bestaande) arbeidsmarkt flink omhoog moet. Daarmee ontstaat als vanzelf een tweeledige arbeidsmarkt van de toekomst: die van het spitsuur en die van de rijpe jaren. De arbeidsmarkt van de rijpe jaren zal zijn eigen dynamiek gaan ontwikkelen en om geheel eigen regulerings instituties c.q. mechanismen vragen. De bestaande arbeidsmarkt instituties worstelen keer op keer met de vraag hoe komt het toch dat binnen het kader van de huidige arbeidsmarkt dynamiek oudere werknemers niet aan de slag komen. Vermoedelijk vraagt dit vraagstuk om een arbeidsmarkt die georienteerd is op levenservaring, basisvakmanschap en kleinschaligheid.

    Institutionele paradoxen en terugtrekking

    Men kan zich afvragen waarom er in Nederland zo weinig aandacht is voor de uitdaging die door het ontstaan van deze nieuwe levensfase voor ons ligt. Ik noem (voorlopig) twee kenmerken van de Nederlandse arbeidsmarkt die een rol spelen.

    In het verlengde van het voorgaande moeten we als eerste vaststellen dat de samenleving absoluut niet uitnodigt tot langer werken dan beslist noodzakelijk is. In zekere zin zijn er alleen maar institutionele regelingen die demotiveren tot langer werken. Zowel de regeling van de officiele pensioenleeftijd en als van de nog veel gebruikte mogelijkheid van vervroegd uittreden nodigen eerder uit tot anticiperen op deze uittreding dan te motiveren tot het omgekeerde. Dat er serieus overwogen zou worden om langer te werken dan noodzakelijk overstijgt het voorstellingsvermogen van de overgrote meerderheid. De verlokkingen van een arbeidsloos bestaan worden al jaren voor de feitelijke beeindiging van de loopbaan zodanig gekoesterd, dat er amper ruimte is om een goede afweging te maken over een evenwichtige invulling van de decennia welke resten. Zelfs wetenschappelijke instellingen vertonen geen enkele neiging om tegen minimale kosten gebruik te blijven maken van de verworven deskundigheden van pensioengerechtigden. Zij sturen liever zittende hoogleraren met vervroegd pensioen. Er rust in Nederland een taboe op werken na de 65 jarige leeftijd, dit in tegenstelling tot b.v. Amerika en Japan.

    Een tweede argument waarom er weinig aandacht is voor de invulling van de nieuwe levensfase vormt een soort ‘counterpart’ van het eerste argument. Als men op grond van leeftijd niet meer tot de potentiele arbeidsmarkt populatie gerekend wordt, dan valt men in een andere categorie met een negatief stempel. Dat negatieve maatschappelijke stempel wordt beheerst door “het niet meer voor vol aangezien worden”, “het niet meer mee kunnen”, “de dure WAO-er”, “de kostbare Vutter”, “de onbetaalbare AOW-er”. De vraag is hoe de betreffende leeftijdscategorieen zich kunnen onttrekken aan de maatschappelijke druk van deze negatieve beeldvorming wanneer deze gepaard gaat met een minimale publieke zichtbaarheid van de z.g. derde levensfase? Tussen het uittredingsproces uit de arbeidsmarkt en de toetreding tot het domein van de fysieke afhankelijkheid is zowel hun maatschappelijke als hun publieke zichtbaarheid tot een minimum teruggebracht, een onzichtbare generatie. Deze mensen leven in een soort ‘time-out’. M.a.w. de niet meer werkende nog vitale oudere moet zich aan de eigen haren uit het moeras trekken. Het is de pregnantie van deze negatieve maatschappelijke profilering, welke eerder stimuleert tot zich terugtrekken dan tot zich opnieuw maatschappelijk te engageren.

    De stelling die hier betrokken wordt is dat de krimpende arbeidsmarkt, de exponentieel stijgende zorgkosten en de risicovolle pensioen vooruitzichten het maatschappelijk noodzakelijk is dat deze plus-generatie zich met een eigen maatschappelijke bijdrage profileert, c.q. zichtbaar maakt en dat dat voor de individuele vitale-grijze heilzaam is. Deze maatschappelijke noodzaak moet dan ook maatschappelijk zichtbaar gemaakt worden. Het moet duidelijk zijn dat er verwachtingen leven ten aanzien van deze nieuwe levensfase en dat passende innovatieve institutionele structuren zichtbaar worden.

    Levenservaring, culturele rijkdom en behoefte aan een flexibele inzet: de arbeidsmarkt van de rijpe jaren.

    (alternatieven: van het daluur, van de plus-generatie, van vitaal grijs)

    Waar liggen de mogelijkheden voor deze maatschappelijke bijdrage van de rijpe jaren? Al snel wordt daarbij gedacht aan de levenservaring en daaraan gekoppelde scholings- en begeleidingsbijdragen.Maar echte innovatieve initiatieven op het terrein van scholing heeft deze generatie de laatste decennia niet laten zien. Daarbij wil ik niets af doen aan de scholingselementen in het programma’s van het Gilde, aan de input van culturele en welzijnsinstellingen, aan de nog steeds groeiende deelname aan het Hoger Onderwijs voor Ouderen en aan de enorme deelname van ouderen aan allerlei cultuur evenementen. Moeten ouderen zelf niet meer maatschappelijke pressie ontwikkelen als ze werkelijk overtuigd zijn van hun culturele rijkdom om het beleid bij te sturen? Primair is dat de waarde van bijdrage van de “rijpe jaren” gezocht moet worden in de eigen individuele “professionele” kwaliteit. Dit verwijst naar vakbekwaamheid, naar kleinschaligheid en naar inzet op micro-schaal met gebruikmaking van kwaliteiten die ontwikkeld zijn in voorgaande arbeidsfasen. Te denken valt aan wijkonderhoud (groenvoorziening, speeltuin, veiligheid, cultuur-historie), woningonderhoud of – innovatie (binnenhuis architectuur, metselaar, timmerman etc), onderwijs (coaching, bijscholing, muziekonderwijs, bibliotheekgebruik), micro-finantieële dienstverlening (prive-administratie, belastingdienstverlening, pgb-administratie, finant.jaarverslagen), interdisciplinaire wetenschapsbeoefening etc etc. Twee voorbeelden werk ik uit.

    Levenservaring en culturele rijkdom komen zeker van pas in de woonbuurt en daarvan zijn vele demonstraties beschikbaar. Al tientallen jaren wordt tamelijk negatief geschreven over de buurt als sociaal fenomeen. De verdwenen cohesie van de buurt, de verloedering van de buurt, de onveiligheid, de anonimisering en individualisering hebben de sociale samenhang van de buurt of wijk verloren doen gaan of dreigt dat te doen. Niettemin is de laatste tijd het bewustzijn groeiende dat de buurt/wijk een cruciale eenheid is om de sociale samenhang in een stad te versterken. Het aantal projecten waarin de lokale overheid dan wel particulieren proberen op een of andere manier een buurt/wijkcultuur te stimuleren is de laatste jaren sterk toegenomen (zie WRR rapport: “Vertrouwen in de buurt”). Ik vraag me af wat de bijdrage van de ouderen in de buurt is en zou kunnen zijn om dit soort projecten tot een succes te maken (Penninx (NIZW), “De buurt voor alle leeftijden”). Op de schaal van een buurt zouden de oudere bewoners zich met name uitgedaagd kunnen voelen om iets van hun culturele rijkdom in te brengen. Doorgaans zijn zij van “oudsher” het meest vertrouwd met de typische kenmerken van de buurt, relatief gezien verkeren zij vaker 7 maal 24 uur in de wijk zodat ze met vrijwel alle facetten van het buurtleven uit de eerste hand bekend kunnen zijn, bovendien zij ze beschikbaar om hun ervaringen uit te wisselen en met anderen te delen. Ervaringswijsheid en sociale vaardigheden zijn hierbij een eerste vereiste, een uitgelezen gelegenheid om culturele rijkdom te demonstreren? Juist de negatieve karakterisering van het buurtleven in Nederland zou voor de vitale ouderen een uitnodiging moeten zijn om hun culturele rijkdom te gelde te maken! Bovendien, zijn zij misschien wel de eerst belanghebbenden. NIZW en CIVIQ bundelden hun activiteiten om de zilveren kracht van ouderen te mobiliseren.

    Een tweede project waarin is geprobeerd om de eigen kracht en waarde van de rijpe jaren op te zoeken betrof de intramurale zorg voor ouderen. (Onderstaand voorbeeld is zeker te lang maar voorlopig zo over genomen uit een eerder publicatieKK) Onder de titel ‘Excellent Senior Care; een haalbare kaart!’ is momenteel een experiment in ontwikkeling met de personeelsbezetting van een verzorgings- en verpleeghuis. Voorstel is om een afdeling in een verpleeghuis vanaf ’s morgens half elf vrijwel uitsluitend door vijftig- tot zeventig plus werknemers te laten ‘runnen’. Mocht het experiment succesvol blijken, dan zou dit een aantrekkelijke maatschappelijke vernieuwing betekenen en een bijdrage aan de oplossing van verschillende actuele vraagstukken. Voor oudere werknemers biedt het experiment aantrekkelijke mogelijkheden om in een nieuwe sector aan de slag te gaan. Het resultaat is een zorgmarkt, waarin de oudere werknemersrol flexibel is ingevuld. Het mes zou heel goed aan twee kanten kunnen snijden, want tehuizen kunnen zo hun personeelstekort tegengaan.

    In het kader van de voorbereidende haalbaarheidsstudie voor dit project (Knipscheer en Ziekemeyer, 2007; samenvatting Ziekemeyer en Knipscheer, 2007) zijn de onderstaande seniore kwaliteiten voor de zorgsector (hier summier samengevat) op een rijtje gezet:

    • Empatisch omgaan met hulpbehoevende mensen op hoge leeftijd Het omgaan met hulpbehoevende ouderen vraagt – naast zorggerichte vaardigheden – het vermogen om met hen in gesprek te blijven, met begrip en geduld. Als mensen in hun 3e levensfase komen, hebben ze daarvan over het algemeen meer in huis.
    • Minder seksuele intimidatie & Agressie en geweld Met de leeftijd verbetert over het algemeen de wijze waarop men hiermee omgaat. – Meer oog voor eigen veiligheid en gezondheid Minder (bedrijf)ongevallen en incidenten. Dit gegeven, dat universeel zou zijn, wordt ontleend aan het model van Ziekemeyer.
    • Ouderenmishandeling – imagorisico’s beter afdekken
    • Beeldvorming rond de ouderenzorg is een hardnekkig probleem. Met de nodige ervaring kan het bedreigende karakter van het verwikkeld raken in situaties van ouderenmishandeling wellicht geneutraliseerd worden.
    • Ruimere inschattingsbeoordeling over cliënten en hun veiligheid
    • Rond de omgang met vrijheidsbeperkende interventies is het de moeite waard om na te gaan of de inzet van meer ervaren verzorgenden/verplegende een bijdrage kan leveren.
    • Meer vertrouwd met leven en dood
    • Gedurende hun leven zijn ze naast ‘het leven’ ook in aanraking gekomen met ziekte en dood. Door hun levenservaring komen ze vertrouwenwekkender over, immers hun levenservaring is ingebed in een ervaring van tientallen jaren die de hulpbehoevende oudere en de 50-plusser gemeenschappelijk hebben.

    In het kader van de haalbaarheidsstudie is een publiekspeiling onder 50-70 jarigen gehouden om na te gaan of er belangstelling is om in de ouderenzorg werkzaam te zijn. Het was de bedoeling te achterhalen hoe onder de 50-70 jarigen op een dergelijk initiatief gereageerd zou worden, en meer specifiek, of er inderdaad onder hen belangstelling zou zijn om in een verzorgings-/verpleeghuis te werken? De oproep werd geplaatst in een magazine dat speciaal voor de doelgroep (50+) is bestemd. Binnen 2 maanden ontvingen we 140 reacties. Zes van de 140 reacties waren negatief. De overgrote meerderheid van de reacties waren positief en zeer enthousiast.

    De citaten (onderaan de pagina) vormen een illustratie van hetgeen Erikson typisch vond voor de zevende levensfase van generativiteit en stagnatie. Het basiskenmerk van deze generativiteit is volgens hem dat groei en ontwikkeling in deze periode zich vooral manifesteren in een toenemende sociale productiviteit en creativiteit, en in een dienstbare opstelling tegenover de naaste omgeving en de samenleving. Afwezigheid van generativiteit in deze fase duidt volgens Erikson op stagnatie in de ontwikkeling op latere leeftijd. Ongevraagd geven onze respondenten in hun reacties typische illustratie van het zich ontwikkelen van een generatieve instelling. Het valt moeilijk te ontkennen dat onze arbeidsmarkt nog steeds beheerst wordt door negatieve beeldvorming ten aanzien van oudere werknemers, zoals hier ook weer blijkt. Van diverse kanten zijn echter ontwikkelingen gaande die de noodzaak om hierin verandering te brengen onderstrepen. In zijn algemeenheid is er nog steeds sprake van een verdere verschuiving in de leeftijdssamenstelling van de arbeidsmarkt. Voor de in de komende jaren uitdijende zorgsector zal het daardoor steeds moeilijker zijn om aan voldoende arbeidskrachten te komen. Daarnaast zijn de signalen die hier in de antwoorden van de respondenten naar voren komen ten aanzien van een groeiende behoefte aan heroriëntatie in het werkleven na de 50-jarige leeftijd een hoopvol teken.

    Stel dat een aantal van bovengenoemde voordelen gerealiseerd kunnen worden door aanboring van een groeiende “derde leeftijd” arbeidsmarkt, dan zou dit voor de bewoners van verpleeghuizen ongetwijfeld ook voordelen kunnen opleveren, te denken valt o.a. aan: een aantrekkelijker leefklimaat, een andere verhouding tussen personeel en bewoners en personeel dat gemakkelijker denkt vanuit de zorgvrager. Op deze manier biedt de verzorging van hulpbehoevende ouderen een van de mogelijke invullingen van de tweede adolescentie met een duidelijke maatschappelijke betekenis. Dat 50-plussers op het terrein van coaching een speciale rol kunnen vervullen blijkt zowel uit het project Samenspraak van Het Gilde in Amsterdam, alwaar een oudere wekelijks een gesprek voert met een jongere (al of niet allochtoon) om de voorbije week ‘door te nemen’ en naar de komende week te kijken. Inmiddels worden ook ‘coachende’ ouderen op speelplaatsen van scholen ingezet. Op het terrein van cultuurbehoud zou een specifieke bijdrage van ouderen niet misstaan terwijl een lokale klussendienst in een grote behoefte zou kunnen voorzien. Bij elk van deze suggesties blijft het uitgangspunt dat tweede ‘carrières’ flexibel ingevuld worden en bij voorkeur zo veel mogelijk aansluiten bij voorkeuren en sterke kanten van de persoon in kwestie. De maatschappelijke stages welke de laatste 10 jaar door enkele bedrijven voor oudere werknemers zijn opgezet passen ook uitstekend in deze ontwikkeling.